Passages uit Het Evangelie der Waarheid

NHC, codex I.3, codexpagina’s [21, 24, 31].

Wanneer iemand weer tot kennis komt,
ontvangt hij wat het zijne is
en eigent zich dat toe.
Wie namelijk onwetend is,
heeft een tekort,
en zijn tekort is groot,
omdat hij juist te kort komt
wat hem zal volmaken.

Hij (Jezus) heeft, door het tekort aan te vullen,
de (schijn)vorm ervan opgeheven,
want schijn is deze wereld
en dat is de vorm
waaraan (ook) hij onderhevig was.
Want waar nijd heerst en onenigheid,
daar is het tekort,
maar waar eenheid is,
daar is volkomenheid.
Aangezien het tekort ontstond
doordat de Vader niet werd gekend,
wordt het tekort terstond opgeheven,
zodra de Vader wordt gekend.
Zoals bij iemand die onwetend is
diens onwetendheid vanzelf verdwijnt
wanneer hij tot kennis komt,
zoals het duister verdreven wordt
wanneer het licht verschijnt,
zo lost het tekort op in de volkomenheid.

Want hij (Jezus) kwam in een evenbeeld van vlees,
waarbij niets zijn loop (kon) stuiten,
omdat het onvergankelijke onweerstaanbaar <is>.
Bovendien predikte hij (een) nieuwe (boodschap)
omdat hij uitsprak wat
is in het hart van de Vader.
En hij verkondigde het feilloze woord
en door zijn mond sprak het licht
en zijn stem schonk leven.
Hij gaf hun denken en inzicht,
genade en verlossing
en de geestkracht
uit de oneindige goedheid van de Vader.
En hij maakte een eind
aan straffen en geselingen,
want die waren het (juist)
die velen die genade behoefden
deden afdwalen van Zijn Aangezicht
in dwalingen en bindingen.
Met kracht ontbond hij ze
en wees ze door kennis terecht.
Hij werd een weg voor de verdoolden
en kennis voor de onwetenden,
een schat voor de zoekenden,
een stut voor de onvasten,
en zuivere onschuld voor de belasterden.

© uit: Slavenburg/ Glaudemans, De Nag Hammadi Geschriften, Deventer 2008, 4e druk.